De Snoepwinkel

Het is zover, na al het vrijwillige schrijven voor verschillende instanties, start ik mijn eigen schrijfbureau ‘De Jager Schrijft’. Of het gaat aanslaan, moet nog blijken, maar ik ben positief. Schrijven is wat ik het liefste doe, dus ga ik er alles aan doen om zoveel mogelijk opdrachten in de wacht te slepen. Nog een beetje onwennig over het zzp-idee lees ik de brochures door van de Kamer van Koophandel. Ik snuffel op het internet en maak afspraken met gerenommeerd tekstschrijvers om alle adviezen en tips in mijn hoofd te stampen.

Dan valt mijn oog op een artikel op nu.nl “Jongen (9) runt online snoepwinkel”. In het artikel wordt geschreven dat hij, Henry Patterson al vanaf zijn zevende levensjaar bezig is met ondernemen. Hij begon met het verkopen van zakken mest langs de weg, verdiende nog eens extra geld met een website erbij en is nu bezig met zijn nieuwe online snoepwinkel voor kinderen. Over zijn toekomst heeft hij ook nagedacht, hij wil filmregisseur worden. Strak in pak glimlacht hij zelfverzekerd naar de fotograaf. Ik lees het artikel nog eens door en voel me bijna in de maling genomen. Een jongen van negen jaar oud maakt winst op zijn eigen onderneming en ik, zevenentwintig jaar oud, loop nog met duizend vragen in mijn hoofd om mijn vaste lasten te kunnen dekken. Oké, die vaste lasten zal het jongetje niet hebben, dat scheelt.
HenryPatterson2
Als negenjarige wist ik niet eens wat ‘ondernemen’ inhield. Ik klauterde in bomen met mijn lievelingsjurkje aan. Ik hield theepartijtjes voor alle knuffels uit het hele huis (en voelde me schuldig als ik achteraf een vergeten dinosaurus tegenkwam) en beleefde avonturen in onze achtertuin, waar overal trollen en angstaanjagende tovenaars de weg versperden. Ik moest eekhoorntjes redden en hutten bouwen (die met één zuchtje wind weer verdwenen). Tijdens het schommelen zong ik zelfverzonnen liedjes en voelde ik mij de prinses van de tuin. Een winkel beginnen? O ja hoor, ik heb met mijn buurjongen wel eens glaasjes limonade voor 5 cent per stuk verkocht. Snoep verkopen? Ik zou wel gek geweest zijn, ik ging met vriendinnetjes verkleed langs de deuren bij de ouderen in het bejaardenhuis achter ons huis om gezellig te babbelen met uitzicht op een grabbel in de snoeppot.
25094_336198428211_5982947_n
De eerste vraag die in mij opkomt is; wat voor ouders zou Henry Patterson hebben? Commerciële marketinglui stel ik mij voor, of zouden ze gewoon conciërge en lerares zijn? Ik klinkt misschien wat negatief over deze jongeheer Patterson, ondernemen op je negende (laat staan op je zevende), waar begin je aan? Maar als hij dat nou echt zo leuk vindt, waarom niet? Het is een gave! Of ben ik meer negatief over mezelf? Dat ik als negenjarige met modder op mijn schoentjes thuiskwam en samen met de honden in de mand lag. Nee, zeker niet, Henry en de negenjarige ik verschillen gewoon enorm.
HenryPatterson
Een opvallend jongetje met commerciële en creatieve ambities. Het klinkt allemaal heel zakelijk, maar ach een online snoepwinkel. En trouwens, misschien klimt Henry ook wel in bomen in zijn vrije tijd…

De Duif

Mijn broer zou me voor gek verklaren. “Een ode aan de duif? Dat zijn vliegende ratten!” Dat zegt hij dan met zo’n manische blik in zijn ogen, alsof hij jarenlang gemarteld is door deze, volgens hem, ultieme bron van parasieten en ondraaglijke ziektes. Ja, misschien heeft hij wel gelijk, maar de onnozelheid en de glazige domme blik van een duif maken mij week van binnen. Het wiebelige gehobbel (de voet-nekconnectie), opzoek naar zaadjes, broodresten of pizza voor mijn part. Het scheve kopje als hij even opkijkt om te analyseren wat er boven hem aan dreigt te komen. De trage lompe manier waarop takjes worden verzameld om samen een onderkomen voor generatie nummer 100 te bouwen. Het heeft iets liefs, iets onbenulligs.
houtduif_260610_swifterbant_evz036186
Nu is er wel een wezenlijk verschil tussen een elegante houtduif, wonende in zijn markante villa diep in het bos en de schilferige stadsduif met een verminkt pootje, slordige nekveren en kale plekken. Toch kunnen we beide soorten weer onderbrengen onder dezelfde familie omdat ze beide even sullig blijken.

“Ieeee er ligt hier een soort drol!” Nieuwsgierig liep ik naar het hoopje dat zoveel commotie veroorzaakte. Ik pakte het op en ontdekte dat het een babyduifje was. We keken naar boven en zagen in de Y-splitsing van de boomstam een nestje zitten. Papa zette de hoge ladder voor me neer en ik plaatste het beestje terug in zijn nest, waar zijn broer mij knipperend aankeek. Ik hield het nest nauwlettend in de gaten en ontdekte algauw dat het broertje rijkelijk gevoed werd en dat het kleine duifje vermagerde en genegeerd werd door zijn ouders. Ik besloot het verstoten drommeltje onder mijn vleugels te nemen, ik was tien jaar oud en had mijn eerste kind. “Duifie”, werd zijn naam. We werden dikke vrienden, het duifje zat de hele dag op mijn schouder (met gore schijtplekken op mijn rug als resultaat, wat een vies kind was ik toch…) en ’s nachts nam ik hem stiekem mee naar mijn slaapkamer. Dan sliep hij op de rand van mijn bed (er lagen wel kranten op de grond om de vuiligheid op te vangen, wat niet altijd werkte…pompidom). Mijn broer kon het niet aanzien, ook de huishoudster vond het maar een onsmakelijke bedoening. De witte vlekken op mijn stereotoren en de weeige geur van het duifje deden me niks. Ik was verliefd, op zijn vriendelijke kraalogen en zijn ferme greep op mijn schouder. Soms sprak hij tegen me, dan koerde hij kalmpjes en keek hij me strak aan. Ik babbelde dan tevreden terug. Ook mijn moeder had wat exra feromonen aangemaakt voor het beestje. Zij begreep mij wel en had ook geen oog voor de toiletgewoontes van mijn duivenkind. Dat viel toch schoon te maken duuuh! Op een dag was Duifie groot, zijn grijze zachte veren waren veranderd in een prachtig standaard duivenpak. Mama en ik concludeerden dat Duifie de wijde wereld in moest. Met een vriendinnetje gooide ik Duifie (voorzichtig) over totdat hij vliegen kon. Ik leerde hem buiten eten zoeken, zette hem expres tussen de vlierbessen en na hard werken koos Duifie de schommelbalk uit als thuishaven. Lange tijd ging het goed, dagelijks zocht ik Duifie op en trakteerde ik hem op vers vogelzaad. Het lot was helaas triest, op een dag vond ik zijn uit elkaar gerukte lijfje op de grond. Er was niets van hem over, maar ik herkende zijn voetjes. Mijn (jacht-) hond Floortje was er klaar mee. “Opdonderen nu met die stomme vieze duif, ik ben de knuffel des huizes.” Ik kon niet boos op Floortje zijn, maar ik was ontroostbaar. Nooit meer heb ik een duifje opgevoed (wel een kraai…)
houtduif_220409_spanje_evz031843
En nu zie ik zijn soortgenoten dagelijks op de dakgoten koeren, in een rijtje, genietend van de zon. Elke dag weer lopen ze onhandig op het fietspad en ontwijken ze op het nippertje vele spaken, of strompelen ze zenuwachtig om je heen op het perron. Op de balkons hebben mensen punten geplaatst, om collectieve schijterij tegen te gaan. Kleine kinderen rennen giechelend door de duivenmassa op het stadsplein. Bij mijn ouders wonen de duiven meer op zichzelf. Iedere boom huist een paartje. Liefdevol wordt er getorteld, gekroeld en gebroed. Oké hygienisch zijn duifjes misschien niet, maar trouw zijn ze wel. Iedere duif heeft één grote liefde in zijn leven. Alle twintig jaren van hun leven blijven ze bij elkaar en als één van de twee van zijn stokje valt, blijft de ander voortaan alleen. Dat vind ik bijzonder mooi (en een beetje treurig)! Vandaar mijn ‘ode aan de duif’, of aan ‘de vieze duif’, dat vind ik ook goed.