De ezel

Ze verlangde vurig naar een rood mutsje. Ze had er een keer één gezien, toen ze piepklein was en tussen de hoeven van haar moeder schuilde. Ze werden gevoerd door iemand die ze nooit eerder hadden gezien. Iemand die hen lief had en die op zo’n knieën in het stof belandde om een blik te werpen op het kleine ezeltje. Hij had haar voorzichtig een aai gegeven en haar moeder gecomplimenteerd. Ze antwoordde met een gelukzalige balk. Een i en een a galmden over de herdersvelden. Toen hij nog wat verder bukte om het kleintje nog iets beter te aanschouwen, had het ezeltje het rode mutsje gezien. Ze was met stomheid geslagen en knipperde met haar lange wimpers. Dat was de eerste en de laatste keer dat ze een rood mutsje had gezien.
Ezel2
De jaren die volgden waren lang en zwaar. Het leven van een ezel gaat nu eenmaal niet over rozen. Twintig jaar was ze nu en ze was doodop. Ze staarde naar de geestdodende bodem en naar haar gespleten hoeven, wit uitgeslagen van de dagen dat ze met de kolos op haar rug door de woestijn zwierf. Ze stonden nu even stil. Hij stond naast haar en had zijn wandelstok tegen haar achterwerk aan geparkeerd. Ze voelde het uiteinde prikken in haar vel en poogde het onding omver te schoppen. De stok bleef echter arrogant overeind staan. De kolos had zich verscholen achter een rots vijf meter verderop. De sleep van haar jurk verklapte haar geheime locatie. Ze hoorden een vaag gekletter en verder niets dan doodse stilte. Hij staarde roerloos naar de sterren en prevelde onverstaanbare woorden die vervlogen met de leegte van de woestijn. Vanachter de rots kwam de kolos overeind. Ze glimlachte lieflijk en sloeg ietwat onhandig haar mantel om haar schouders. Ze waggelde als een gevulde gans over het paadje en stortte zich kreunend op het ezeltje, dat zich krampachtig en met knikkende knieën staande hield. Hij gaf haar een tikje met die verdomde stok, maar het ezeltje weigerde een stap te zetten. Ze liet zich niet commanderen door zo’n laffe stok. Een tweede tik volgde. Het ezeltje verroerde zich niet, maar liet slechts een zucht ontsnappen. De kolos begon zachtjes te zingen en streelde teder tussen haar manen. De ezel draaide zich genoeglijk om en stapte kalmpjes achter hem aan. Hij, met zijn verachtelijke stok.

De reis werd voortgezet, lange uren stapten ze door het grove zand en over de grijze kiezels. Ze passeerden kleurloze rotsen, verlaten hutten en slapende dorpen. Stilletjes, gespannen en dodelijk vermoeid hielden ze vol. Het maanlicht scheen zorgeloos over de eindeloze vlakten en verlichtte de bestemming die na dagen stappen eindelijk naderde. Als een lampionnetje op een heuveltop. Het ezeltje hoorde het stel euforische klanten uitslaan en voelde zich lichtelijk opgelucht. O wat keek ze uit naar een bed van stro, koud water en vers hooi. Het lampionnetje viel langzaam uiteen en veranderde in gloeiende, ronde huizen. Stratenvol. Kaarsen brandden in de vensterbanken en buiten knetterden knusse vuurtjes. De heer met de stok klopte overal aan. Na de zoveelste deur klonk hij wat onrustig en dat werd alleen maar erger, tot hij schreeuwde, bad, smeekte en huilde. Niemand leek hem binnen te laten. Steeds moest het ezeltje weer wachten met het gevaarte steunend en snikkend op haar rug. Wat er precies gaande was, wist het ezeltje niet, maar het stelde haar niet gerust. Ze voelde onaangename spanningen en vervloekte de kilo’s die ze meezeulde. Met afhangende schouders en een gebogen hoofd, strompelde de man met de stok naar het ezeltje. Tranen in z’n ogen, hoofdschuddend. De kolos schudde mee op het ruggetje. De ezel bleef met moeite rechtop staan. Zwijgend stonden ze aan de grond genageld.

Plotseling begon het ezeltje hevig te balken. Iiiaaa iiiaaa iiiaaa, onophoudelijk. Een kudde schapen liep warrig voorbij, rinkelend en mekkerend. Achteraan liep een herder, gehuld in een wollen deken, met kamelenleren sandalen en op z’n hoofd droeg hij een prachtig rood mutsje… Hij hoorde het gebalk en stopte abrupt met lopen. Het arme schaap achter hem, knalde onnozel tegen z’n knieholte aan. Hij zag de ezel staan en hij versnelde zijn pas. Hij staarde stilletjes in de trouwe ezelsogen, een glimlach ontsnapte. “Dag ezeltje, ben je daar weer”, zei hij. Hij zette z’n muts tussen haar lange oren en nam het stel onder zijn hoede. Zijn stal was hier om de hoek. Het was niet veel, maar hij sliep er zelf ook weleens. In zijn tas had hij nog wat brood en een flacon water. Dat was alles wat hij bieden kon, want meer had hij niet. De man met de stok viel hem dankbaar om de hals. De kolos snikte van vreugde. En het ezeltje? Dat was nog eerder zo gelukkig geweest. Ze had een rood mutsje. Zijn rode mutsje.

Heb je het kerstverhaal voorgelezen tijdens de feestdagen? Ik hoor graag wat je ervan vond! marlijn@dejagerschrijft.nl

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s