De Boer

De Zwarte Cross leek me een interessante plek om eens rond te snuffelen. Ik verwachtte steengoede muziek en bijzonder slechte meezingers. Lekker weer en veel dronken boeren die lallend over het festivalterrein stiefelden. Dat was ook zo.

Althans dat dacht ik op donderdagavond. Om mij heen schaarden boeren knullen zich samen; zwalkend, rennend en stoeiend als een stel puppy’s. T-shirts uit, pils in de klauwen, hout aan de voeten; ik wist niet dat er nog zoveel mensen op klompen lopen! Op de achtergrond schalden Jovink en de Voederbietels en wat nietszeggende hitjes uit Tirol.
AfbeeldingVrijdag bleek alles anders. Er waren nog steeds veel boeren jongens en meisjes, die ik normaal nooit zie (ze vielen me dus op). Verder liepen er Marlijntjes, Marlousjes, Dodootjes en andere soortgelijke creaturen. Blonde meisjes met hippe zonnebrillen, mannen met lange manen, grootmoeders, peuters met luierkontjes, Sjonnie en Anita, Jan en Riet of  Maria Elisabeth en Jonathanus. Nederland was hier. Of je nu uit Lichtenvoorden kwam of uit Wassenaar. Of je nu domweg duizend doosjes per minuut inpakte of zeventien jaar deed over het ontwikkelen van de beste wiskundige oplossing ter wereld.

Het voelde als het bevrijdingsfestival, waar iedereen samenkomt om te vieren dat we in vrijheid leven. Op elke hoek van het terrein trad een ander bandje op. De Band zonder Banaan in een trailer op de camping, gillende powermetal op het Meltdown podium, een Janis Joplin coverband in het rock ’n roll circus en het Habsburger Straussorkest op het hoofdpodium. Voor ieder wat wils.

Ik schaamde me uiteindelijk een beetje. Ik beoordeelde de dronken boer op zijn domheid. Na wat meer geobserveerd te hebben, veranderde ik van mening. Zij zijn misschien niet bijster intelligent, oké. Praktisch, dat zijn ze wel. Wij liepen om een natgeregende picknicktafel heen, omdat we geen nat achterwerk wilden. Zij kantelden de tafel en schudden de spetters eraf. Wij baanden ons balancerend een weg door de modder, we wilden geen natte voeten. Zij verwisselden hun klompen voor een stevig stel regenlaarzen en trokken droge sokken uit hun tas.

Wat me vertederde was dat ze al vroeg -als ik chagrijnig de tent uit kroop om een plasje te plegen- allemaal met een bruine boterham met ei en een glas melk bij de ontbijttent zaten. Gewend aan vroeg opstaan. En dat ze op zondagmorgen om 10:00 uur met gekamde haren en schone t-shirts bij de kerkdienst op het hoofdpodium aanwezig waren. Ik las toen een lullig artikel over een senioren dame die verliefd werd op een student.

Ik doe de boer nog steeds geen eer aan in deze blog. Ik heb het over mensen, maar ik scheer deze groep over één kam. Marlijn versus de domme boer. Ik snap niet zo goed waarom ik zo denk en ik vind het niet leuk. We zijn allemaal mensen. Ik heb gestudeerd aan de universiteit, maar zij weten alles over de gezondheid van een kalfje, over de stand van de wolken en de techniek van alle landbouwmachines. We zitten misschien niet op één lijn, maar we zijn allemaal hetzelfde dier. Daar moet ik me meer bewust van zijn.

Advertisements

Het dier

Het is warm buiten. We liggen met z’n allen in groepjes in het gras. Onder een boom, of juist pal in de zon. Languit op onze ruggetjes, aan elkaar plukkend, knabbelend, babbelend. We plonzen af en toe in het water en zwemmen dan met een stoïcijnse ‘ik-ben-aan-het-zwemmen’-blik naar de overkant.

Een frivole knaap toont trots zijn six-pack en paradeert langs dames die pardoes met hun lange wimpers beginnen te wapperen. Het luie wijfje draait zich om en rolt met haar ogen.

De actieveling onder ons bekommert zich om een bal die door de hitte zijn stevigheid lijkt te verliezen. Na lang pielen, besluit hij dan toch met die soort van pannenkoek te spelen. Trappen, rollen (rombombom), apporteren, teruggooien. Tot hij oververhit is, dan spartelt hij verder in het water.
Roedel
’s Avonds zoeken we één voor één ons holletje weer op. We trekken ons terug, eten onze bordjes leeg en glimlachen rozig naar elkaar. Wat een dag! De één bekijkt beteuterd zijn verbrande schouders en de ander toont trots een bruin buikje. We gapen en denken smachtend aan ons bed. Het is nu nog echt te vroeg om te gaan slapen, noch even een uurtje wachten.

De wijn

Het is woensdagavond. Schuldbewust staar ik naar het glas op tafel. Er zit wijn in. Ik had nog zo met mezelf afgesproken doordeweeks geen alcohol te drinken. En toch staat het daar, dat glaasje, het knipoogt naar mij. De avondzon speelt het pact met de duivel mee en creëert een zacht aureooltje om de rand van mijn glas. De avondbries speelt met mijn tomatenplanten en mijn cavia’s koeren met de duiven op het hek mee. Ik ben verleid en neem een slok.

Waarom mag ik op zo’n schitterende avond als deze van mezelf eigenlijk geen wijntje inschenken? Is het slecht om te genieten? En dan voel ik die boze buik daar zitten. Rond en zacht, in plaats van rank en plat. Het eeuwige twistgesprek van de vrouw (en stiekem ook van de man…) steekt weer eens de kop op. Ik bekijk slanke dennen op straat en volg jaloers de lijnen van hun strakke lijven. Mag ik nog één wijntje? Mag ik op deze prachtige zomerdag gewoon ronduit genieten?

Wijn
Ja, dat mag wel. Het verstandige stemmetje in mijn achterhoofd geeft me toestemming. “Ontspan maar even”, zegt het belerend. Braaf luister ik. Wetende dat ik morgen wellicht met dezelfde discussie te maken zal hebben. Die verdomde verrukkelijke zomerdagen…